Moderne professionals hechten weinig waarde aan status, positie, en andere uiterlijke schijnzekerheden en des te meer aan het leveren van een waardevolle bijdrage aan de maatschappij en aan het zoeken naar de zin van het bestaan. De Cobrabeweging ging hen voor….. Onlangs nodigde de uitgever Reed Elsevier de redacties van de vaktijdschriften die zij uitgeven, waaronder Opleiding & Ontwikkeling, uit voor een netwerkbijeenkomst. Het decor van dit informele samenzijn was het Cobramuseum. Een opvallende, maar in zekere zin ook een heel treffende locatiekeuze voor gesprekken over de te varen koersen van de verschillende tijdschriften. Treffend, omdat in die gesprekken niet alleen de inhoudelijke stroom centraal staat maar ook de vorm waarin we de inhoud willen presenteren.

Er bestaat namelijk een parallel tussen de Cobrabeweging en het huidige lezerspubliek. In een veel geciteerd manifest uit september 1948 zegt Constant, één van de grote talenten van de Cobrabeweging, dat ons slechts rest te geloven dat wij leven en dat het tot het wezen van het leven behoort zich te manifesteren. Deze vitale manifestatie stelt hij tegenover de holle mooidoenerij van decors en schijnfaçades. Een soortgelijke kreet van verzet zien wij terug in de werkhouding van nieuwe professionals op de arbeidsmarkt. Zij wensen hun leven in te richten op basis van hun eigen drijfveren en overtuigingen, zodat dat zij iets kunnen betekenen en achterlaten voor henzelf en hun omgeving. Hedendaagse loopbanen krijgen vorm doordat de inkleuring geschiedt op basis van de eigen drijfveren en persoonskenmerken. Deze constatering doet denken aan de overtuiging van de Cobrabeweging. Vandaar dat het Cobramuseum zo past bij een samenzijn van ons als redactieleden van Opleiding & Ontwikkeling.

In het verlengde daarvan getuigt de Cobrabeweging eveneens van ons huidige denken over menselijk kapitaal. Op indringende wijze maakte zij wereldkundig dat ieder talent telt en dat er geen sprake is van slechte of betere kunstenaars, tenzij het uiterlijk vertoon de innerlijke kracht domineert. Huidige visies op talent en talentontwikkeling liggen op dezelfde lijn. Dat ieder talent telt en de ruimte moet krijgen, klinkt vanzelfsprekender dan dat het is. Immers, lang niet ieder talent krijgt de ruimte. Denk aan de vele kinderen die niet kunnen lezen of schrijven of zelfs niet genoeg te eten hebben om iets te kunnen leren. En immers, lang niet ieder talent wordt benut. Denk aan de vele hoogopgeleide moeders die maar ten dele met hun opgedane kennis en vaardigheden een bijdrage leveren aan de economie van ons land of aan de vitale ouderen die het arbeidsproces al hebben verlaten voordat er sprake was van minimale arbeidsproductiviteit. Niettemin onderstreept onze tijd de noodzaak om te investeren in menselijk kapitaal en om talent te benutten. Ook dat klink wellicht als een open deur, maar is het nochtans geenszins.

Talent de ruimte geven, is een actieve bemoeienis in de richting van andermans talent terwijl het benutten van talent enige actie van de persoon zelf vergt. En daarbij speelt de eigen vrij wil een rol. Wij leven in een land waar vanuit vrije wil talenten kunnen worden benut, ontwikkeld en geëffectueerd. Ten dienste van ons werk, ons vak, onze werkgever, ons land, of van onszelf. Aan ons de keuze om het doel van onze talentontwikkeling te bepalen. De Cobrabeweging was haar tijd vooruit door stil te staan bij het eigenlijke doel van werken. Gelukkig hebben we een Cobramuseum. 

De tekst hierboven staat ook in het maartnummer van het tijdschrift Opleiding & Ontwikkeling, in de rubriek Open Venster. In deze rubriek wordt het HRD-vakgebied bezien in het licht van maatschappelijke thema’s. Het Open Venster nodigt HRD-professionals  uit om met elkaar stil te staan bij onze rol en verantwoordelijkheid in werkgerelateerde leerprocessen op de arbeidsmarkt. Reacties zijn daarom meer dan welkom