De onderhandelingen over de zogenaamde
ontslagvergoeding (wat wordt er eigenlijk vergoed?) bij de totstandkoming van
een sociaal plan is verworden tot een ordinaire strijd over de hoogte van de
correctiefactor C, ook wel de verwijtbaarheidsfactor genoemd. Ongeacht of de
oude dan wel de nieuwe kantonrechtersformule wordt gehanteerd. Vakorganisaties
stellen zich hierin verstard op en proberen het onderste uit de kan te halen.
Werkgevers tonen slappe knieën en spelen uit angst voor stakingen het irreële
onderhandelingsspel even hard mee. Kantonrechters laten dit circus toe en gaan
daarbij voorbij aan de door de Kring van Kantonrechters aangegeven aanbevelingen.
De uitkomsten pakken voor individuele werknemers heel verschillend en
onrechtvaardig uit door toepassing van de lengte van het dienstverband als
billijkheidscriterium, terwijl hun kansen op de arbeidsmarkt bij gelijke
leeftijd meestal niet veel verschillen. Oudere werknemers met een relatief
korter dienstverband zijn daarbij in het nadeel omdat zij het met de
‘vergoeding’ meestal minder lang kunnen uitzingen. Jongere werknemers met een
langer dienstverband worden ten opzichte van oudere werknemers met een korter
dienstverband teveel bevoordeeld.

Door de specifieke
structuur van de kantonrechtersformule met accent op de lengte van het
dienstverband wordt het billijkheidscriterium een fopspeen. De formule maakt
een op het verleden gericht gebaar, terwijl juist het faciliteren van een zo
snel mogelijk vinden van een nieuwe baan (toekomstgerichtheid) doorslaggevend
zou moeten zijn.

Vakorganisaties dienen
het belang van werknemers slecht door deze ongelijke behandeling in stand te
houden. Ze zijn slechts uit op het binnenhalen van de financiële buit en niet
op gelijke kansen voor hun leden op het vinden van nieuw werk.

Ik pleit daarom voor
een andere benadering. Werkgevers en vakorganisaties zouden bij hun
‘overleg’(niet ‘onderhandeling’) over een sociaal plan gezamenlijke
verantwoordelijk moeten nemen voor het nastreven van een zo hoog mogelijke
‘externe baanzekerheid’ voor de werknemers die noodgedwongen het bedrijf moeten
verlaten. En niet voor een kil gevecht over een zak met geld. Dit door de
leeftijd en de kansen op de arbeidsmarkt bepalend te laten zijn voor een
daadwerkelijke vergoeding van gederfde inkomsten als gevolg van ontslag.
Suppleties op de WW-uitkering tezamen met begeleiding voor het vinden van een
nieuwe werkkring (outplacement, werk-naar-werk-traject) zijn daartoe adequate
middelen. De duur van de suppletie kan voor relatief jongere werknemers korter
zijn ( 3 tot 6 maanden), voor de relatief oudere werknemers langer (6 tot 12
maanden). Billijkheid, gelijke behandeling en baanzekerheid zijn daarmee
aanzienlijk beter gewaarborgd. Ook in een geval van ‘habe wenig’. Dit vraagt
een andere mentaliteit. Een daadwerkelijke solidariteit van werkgevers én
vakorganisaties ten opzichte van mensen die hun baan verliezen.