De beste manier om de problemen van mensen met zware beroepen op te lossen, is zorgen dat zwaar werk niet bestaat. Dat zei PvdA-leider Wouter Bos zaterdag 19 september 2009 tijdens een PvdA-bijeenkomst in Venlo in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Hij wil werkgevers wettelijk verplichten het werk zo te organiseren dat hun werknemers niet ‘kapot’ gaan, maar dat zij door kunnen werken tot hun pensioen. Dat zorgt er volgens hem ook voor dat mensen een verhoging van de pensioenleeftijd makkelijker kunnen accepteren. Er zijn twee mogelijkheden om met de problematiek rond “zware beroepen” om te gaan. De eerste is het ontkennen dat er zware beroepen zijn. Dan hoef je daarvoor, na inschakeling van een commissie, ook geen oplossing te zoeken. De tweede is het leveren van een bijdrage aan de discussie rond het stellen van een bruikbare diagnose om de problematiek rond “zware beroepen” in kaart te brengen. Deze bijdrage kan worden gezien als een visie op de gesignaleerde problematiek.
Er blijft in de praktijk een aanzienlijk verschil te bestaan tussen “droom en daad”. Aan goede wil ontbreekt het in de regel niet. Wel ontbreekt het dikwijls aan de mogelijkheid om zaken zodanig te definiëren dat de daarop van toepassing verklaarde regelgeving door alle betrokkenen als billijk wordt ervaren.
Het objectief vaststellen van de categorie “zware beroepen” is bijzonder moeilijk, omdat er een afhankelijkheid bestaat van enerzijds de belastbaarheid van mensen en anderzijds de belasting die van mensen in hun werkzaamheden wordt gevraagd. Er zijn grote verschillen tussen individuen en de vaststelling van een “gemiddelde maat” draagt zelden bij tot een oplossing. Bij belastbaarheid dient vervolgens specifiek te worden gemaakt in hoeverre er sprake is van fysieke belastbaarheid, mentale belastbaarheid of een combinatie van die twee met een glijdende schaal. Op basis van statistische gegevens kan op basis van de Ziektewet, alsmede uitstroom in de WAO of de WIA, een aantal beroepen als “zware beroepen” worden aangemerkt. “Fysieke slijtage” kan daarbij oorzaak voor één van de beroepsziekten zijn. De vraag is echter of de zwaarte van deze beroepen nu wordt veroorzaakt door de rol van de werkgever die onvoldoende aandacht heeft besteed aan de Arbeidsomstandighedenwet of door de werknemer die zichzelf door structurele overbelasting sloopt. Dikwijls zie je bij “zware beroepen met een sterke fysieke component” in onder meer de bouw, dat werknemers bij hun werkgever vroeg beginnen en vroeg eindigen, om vervolgens in eigen tijd en voor eigen gewin nog door te werken bij “opdrachtgevers”. Het “eigen gewin” bestaat uit meer besteedbaar inkomen dat veelal op een “fiscaalvriendelijke wijze” wordt geïncasseerd. Dit fenomeen komt onder meer voor bij metselaars en oppermannen, stukadoors, timmerlieden, loodgieters, stratenmakers en schilders. Door de door henzelf gekozen extra werklast, waarop dan geen Arbeidsomstandighedenwet wordt losgelaten,nemen zij te weinig rust waardoor van een deugdelijke recuperatie geen sprake meer is. Belasting kan dan al snel over gaan in overbelasting. Vroeg of laat zullen zij dan de tol betalen. In een ander type “zware beroepen met een “sterk mentale component” in onder meer het bedrijfsleven, zoals onder meer verkopers in de buitendienst, geldt dat zij dikwijls worden gestimuleerd door een relatief laag basisinkomen met daarboven ter stimulering de provisies en bonussen. Dit leidt voor velen tot een soort “najagen van resultaten onder hoge mentale druk”. Een aantal functies binnen de gezondheidszorg is aan te merken als “zware beroepen met zowel een fysieke als mentale component”. Het verzorgen en verplegen van patiënten en cliënten trekt een zware wissel op de werknemers in de gezondheidszorg. Wel zijn er hulpmiddelen ontwikkeld om onder meer het tillen te vereenvoudigen, maar die zijn niet in alle situaties toepasbaar. Voor dit laatste kan bij voorbeeld worden gedacht aan het ambulance personeel.
In heel veel situaties is “employability” als sleutelwoord voor het verbreden van de inzetbaar-heid van werknemers, waardoor zij ook op andere functies kunnen worden geplaatst, in veel situaties moeilijk realiseerbaar.
De meeste werknemers in de bouw hebben gekozen voor de aan de door hen vervulde functie in de bouw verbonden vaardigheden en werkomstandigheden. Zelden liggen de ambities van deze categorie werknemers op het gestalte geven aan “employability” door noodzakelijke kennisverwerving via studie of van kantoorwerk. Voor de meeste verkopers in de buitendienst is het alternatief “verkoopleider” niet bereikbaar. Ook is het voor velen moeilijk om na een periode van veel provisie en bonussen een stap terug te doen. Hun administratieve kwaliteiten binnen een zeker keurslijf zijn meestal beperkt. Ook de stap van “front office” naar “back office” lijkt voor velen weinig aantrekkelijk. Voor de meeste verzorgenden en verplegenden is een minder belastend alternatief niet bereikbaar. In het verleden kwam een beperkt aantal werknemers met fysieke klachten terecht in al dan niet gecreëerde administratief ondersteunende of coördinerende functies. Deze functies zijn qua aantal echter te beperkt om structureel voor een oplossing te kunnen zorgen.
Een aan deze problematiek te koppelen vraag is: “Wie is er verantwoordelijk voor de employability van werknemers?”
Naar mijn idee dienen werknemers zelf, op basis van deugdelijke voorlichting en scholing, zelf in belangrijke mate de verantwoordelijkheid voor hun inzetbaarheid te dragen. Zij “moeten” niet gedwongen worden om zich in de breedte te ontwikkelen, maar zij “mogen” – daartoe gestimuleerd door hun werkgever – zich tijdig in de breedte ontwikkelen.
Feitelijk is de hiervoor gegeven beschrijving een benadering vanaf de achterkant van het probleem: de uitval van werknemers tengevolge van overbelasting in “zware beroepen”.Daarom is het misschien ook goed eens vanaf de voorkant naar het probleem te kijken.
Waarom kiezen mensen voor een “zwaar beroep”? In eerste instantie omdat zij zich daartoe voelen aangetrokken, zij voelen zich competent om dat werk te doen. In tweede instantie speelt dikwijls de beloning een rol. Voor de een is extrinsieke beloning in de vorm van de mogelijke financiële compensatie het meest van belang, voor de ander is dat de intrinsieke beloning in de vorm van iets voor anderen kunnen betekenen. Bij “zware beroepen” in de bouw geldt dat voor velen het genereren van extra inkomsten uit werk naast het werk (dikwijls een vorm van overcompensatie) een belangrijke rol speelt. Het plegen van roofbouw leidt daarbij tot “materialistisch welbevinden” en niet zelden tot een mate van invaliditeit. Bij “zware beroepen” als verkopers in de buitendienst geldt eveneens de mogelijkheid tot het genereren van extra inkomsten die bijdragen aan “materialistisch welbevinden”. Ook komen hier met enige regelmaat spanninghoofdpijn, migraine aanvallen, lage rugpijn, vormen van depressiviteit, “overspannenheid” (neurastheen syndroom) en burnout voor. Bij “zware beroepen” als verzorgenden en verplegenden in de gezondheidszorg speelt het in teamverband samenwerken in de zorg voor anderen een belangrijke rol naast het in deeltijd kunnen werken. Met name in de lagere functies (helpende en verzorgende) die fysiek dikwijls bijzonder zwaar kunnen zijn, geldt voor velen daarnaast ook nog de beperking van mogelijkheden op de arbeidsmarkt bij hun keuze voor de zorg. Wanneer de keuze voor een “zwaar beroep” wordt ingegeven door de behoefte aan een relatief hoge financiële compensatie voor de arbeid, geldt voor de bouw hetzelfde als voor bankdirecteuren: “Het is nooit genoeg”. “Consumeren” gaat daarbij boven “consuminderen”.
De sleutel, waarvan velen zich onvoldoende bewust lijken te zijn, is dat er beslist meer is dan alleen maar werken om zoveel mogelijk geld te verdienen. Veel geld maakt niet per definitie de mensen gelukkiger. Zeker niet wanneer er op basis van “sociale vergelijking” en “me too- effecten” ten koste van de gezondheid een jacht ontstaat naar “steeds meer”. Misschien wordt het de hoogste tijd om mensen opnieuw te leren genieten van zaken die veel gelukkiger kunnen maken dan het verschralende en sterk egocentrische materialisme.




Reacties
marga schmitz - 24-09-2009 12:30
Verpleegkundige sinds 1968,houd ik nog steeds van mijn vak,echter ik denk niet het vol te kunnen houden tot 65 jaar,laat staan 67 jaar.Hulpmiddelen zijn er nog niet zolang,en ik ben al een keer geopereerd aan mijn rug.Voor de oudere werknemer in de zorg is er(nog) een regeling dat onregelmatige diensten na 55 jaar niet meer verplicht kunnen worden,desondanks blijven veel mensen toch deze diensten doen omdat zij er anders financieel teveel op achteruitgaan .En echt men werkt niet in de zorg voor de geweldige salarissen!Een alleenstaande kan er nauwelijks van rond komen
Emotioneel ben ik weleens uitgeput,daar kunnen nog zoveel cursussen tegenover staan,je blijft maar een mens
Drs P. Petrovics - 08-10-2009 11:47
Als professional op het gebied van arbeidsongeschiktheid kan ik de knelpunten in het bovenstaande artikel volledig onderschrijven. Ik denk dat het een heiloze weg is om zware beroepen te gaan definiëren. Er moet meer gedaan worden aan een serieuze aanpak van de arbeidsomstandigheden. Het is toch vreemd dat er in de Arbowet staat dat iedere werkgever, hoe klein ook, een Risico-inventarisatie en evaluatie van de arbeidsomstandigheden moet maken en dat dit vooral bij kleinere werkgevers niet gebeurd. Blijkbaar kunnen ze dit nog maken omdat de kans op controle door de Arbeidsinspectie nihil is. Daar valt voor iedereen veel winst te halen!
Henk Duijn, arbeids- en organisatiepsycholoog - 12-10-2009 11:25
Naar aanleiding van de reactie van Marga Schmitz lijkt mij het volgende relevant.
Van haar verhaal kan worden geleerd dat bij het optreden van serieuze fysieke klachten, mogelijk tengevolge van fysieke overbelasting, direct moet worden gekeken naar voor haar mogelijke alternatieven om te kunnen blijven functioneren.
Een loopbaanadviseur kan hierbij zonder meer behulpzaam zijn. Deze kan ondersteunen bij het bepalen van de richting waarbij bevordering van “employability” een belangrijke sleutel vormt.
Belangrijk is dat Marga in haar werk is gaan beschikken over een belangrijke hoeveelheid kennis en ervaring. Deling van deze kennis en ervaring met nieuwkomers kan mogelijkheden bieden. Ook de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor functies bij opleidingen, trainingen en mentorschappen kunnen worden onderzocht.
Voor wat betreft de beloning speelt dat bij de keuze voor verpleging en verzorging het inkomen voor sollicitanten dikwijls van secundair belang was. Vaak volgde na aanstelling ook nog een “in service opleidingstraject” om te gaan voldoen aan de voor de zorg vereiste kwalificaties.
Op zich is het schrijnend dat er veelal bezuinigd wordt op hen die een uitermate belangrijke rol vervullen in het directe contact met zorgbehoevenden.
Dit staat dikwijls in schril contrast met de inkomens van medisch specialisten, managers, directeuren en bestuurders.
Henk Duijn, arbeids- en organisatiepsycholoog - 12-10-2009 11:40
Naar aanleiding van de reactie van drs. Petrovics lijkt mij het volgende relevant.
De Arbeidsomstandighedenwet kun je als directief aan werkgevers en werknemers opleggen. Probleem daarbij is dat elke regelgeving ook handhaving vereist. Handhaving kost veel geld.
Ook gezien de relatief grote hoeveelheid “ondernemers” die dankzij de Arbowet hun opbrengst genereren (denk ook aan de verplichte RIE en de jaarlijks verplichte BHV-trainingen e.d.) en de hoeveelheid ondernemers die ten gevolge van onder meer kostbare maatregelen op basis van de Arbowet nauwelijks het hoofd boven water weten te houden, is er een duidelijk spanningsveld.
De Arbo-trainingsbureaus lijken daardoor, met wet- en regelgeving in de hand, te parasiteren op de ondernemers die strijden om in de markt te overleven.
De grootste winst is te behalen wanneer de acceptatie van een instrument als de Arbowet door zowel werkgevers als werknemers zo groot mogelijk is. Dat vereist eerder een investering in het bewustwordingsproces in plaats van het opleggen van sancties en dwangmaatregelen.
Zeker voor de kleine ondernemers is de wet- en regelgeving dikwijls zo complex, dat het genereren van omzet daaronder kan gaan lijden.
jan van leeuwen - 16-10-2009 11:07
Ik vraag mij af of het in mijn beroep uberhaupt mogelijk is om na 65 door te werken. Ik ben piloot/gezagvoerder op een Boeing 767, wij hebben een mentaal zwaar beroep, werken onregelmatig (’s nachts) met
jetlag en in een drukcabine.
Tot nu toe zegt de luchtvaartwet dat wij op 65 jarige leeftijd moeten stoppen en dat vooral omdat het reactie en denkvermogen achteruit gaan, zeker na een nachtvlucht. Uit veiligheids overwegingen dus.
Henk Duijn, arbeids- en organisatiepsycholoog - 19-10-2009 13:30
Er zijn aanzienlijke individuele verschillen, ook in de vliegerij.
Naast de fysieke functie-eisen gelden er ook psychologische functie-eisen.
De verantwoordelijkheid voor een veilig gebruik van de luchtvaart ligt met name op nationale autoriteiten v.w.b. keuringen en op internationale wet- en regelgeving inzake de (burger-)luchtvaart.
herman van der helm - 03-08-2010 14:15
Wat mij opvalt is dat er veel gepraat wordt over de zware beroepen, maar dat weinig mensen, ook arbodeskundigen, niet echt inventief naar hulpmiddelen zoeken om de beroepen lichter te maken. Ik heb deze ervaring uit de praktijk, waarin ik een nieuw tilhulpmiddel “De Tiller” op de markt heb gebracht.
Vooral vanuit de arbohoek blijft het opvallend lauwtjes, terwijl de arbeidsinspectie het toejuicht.
Voor info: www.tiller.eu