Ik kom net terug van een kort geding bij de kantonrechter. Kort gedingen zijn altijd spannend want de uitkomst is vaak heel onvoorspelbaar. Mijn pleitnotities en die van mijn tegenpleiter konden deze keer in de tas blijven: de rechter had zich voorgenomen om alleen onze meegekomen cliënten te ondervragen.

Gelukkig had ik het verhaal en de strategie met mijn cliënt vooraf goed doorgenomen, en de cliënt kon de vragen van de rechter goed beantwoorden. Waar het om draaide? Mijn cliënt (werknemer) had een ontslagvoorstel van zijn werkgever ondertekend, maar verkeerde in de veronderstelling dat hij ontslagen was. De werkgever én het CWI gaan uit van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

Vaste rechtspraak leert dat een werkgever altijd heel voorzichtig dient om te gaan met zo’n beëindigingsovereenkomst. Heeft de werknemer daadwerkelijk begrepen dat zijn instemming wordt gevraagd? Een dergelijke instemming heeft voor de werknemer namelijk grote gevolgen (geen recht op een WW-uitkering bijvoorbeeld). De bewijslast dat de werknemer bewust met het ontslag heeft ingestemd ligt bij de werkgever! 

Gezien de omstandigheden van de zaak verwacht ik dat de rechter onze vorderingen grotendeels zal toekennen (doorbetaling loon en wedertewerkstelling). Voor de werkgever zou dat een zure appel zijn: Deze dacht goedkoop en snel van een werknemer af te zijn, maar zal nu alsnog een ontbindingsprocedure moeten opstarten of een ontslagvergunning moeten aanvragen. Intussen zal zij het loon van de werknemer wel (met rente) moeten doorbetalen.

Ook in het arbeidsrecht geldt dus: haastige spoed is zelden goed.