Een recente uitspraak van de Kantonrechter in Utrecht 25 oktober 2006 (zaaknummer 06-2309) heeft uitgemaakt dat een werknemer die door een fout van de werkgever ten onrechte jarenlang een te hoog salaris heeft ontvangen, toch het ‘teveel’ moet terugbetalen. Werknemer moet het bedrag van bijna € 27.000 in maandelijkse termijnen van € 300 terugbetalen.
Daarmee krijgt werkgever het onverschuldigd betaalde bedrag wel terug, maar zal hij moeten aanvaarden dat de terugbetaling zich over een zeer lange periode (7,5 jaar) zal uitstrekken.
De achterliggende feiten
Werknemer wordt binnen het bedrijf van werkgever overgeplaatst. In zijn “oude” functie had werknemer recht op een ploegentoeslag, in zijn “nieuwe functie” niet. Partijen spreken af dat de ploegentoeslag wordt omgezet in een persoonlijke toeslag, waarbij een afbouwregeling geldt. Deze afbouwregeling wordt echter per abuis jarenlang niet (goed) toegepast. Als werkgever de fout na zes jaar ontdekt, vordert hij het teveel betaalde salaris terug. Werknemer gaat niet akkoord met terugbetaling, waarna werkgever zelfstandig overgaat tot maandelijkse inhouding op het salaris van werknemer.
De vorderingen
Werknemer vordert een verklaring dat werkgever niet gerechtigd is het teveel betaalde salaris van hem te vorderen. Terugbetaling zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 en 6: 248 BW) onaanvaardbaar zijn, aldus werknemer. Daartoe voert werknemer onder meer aan dat hij de gemaakte afspraken niet goed heeft begrepen, dat een correcte nakoming van de afbouwregeling bij werkgever berust en dat hij moet kunnen vertrouwen op de juistheid van de hem verstrekte salarisstrookjes en jaaroverzichten. Werkgever vordert in reconventie een verklaring dat hij aanspraak heeft op het teveel betaalde salaris, primair als zijnde onverschuldigd betaald en subsidiair op basis van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens werkgever was werknemer wel bekend met de inhoud van de afspraken.
Uitspraak van de kantonrechter Utrecht:
Partijen zijn de afbouwregeling duidelijk overeengekomen. Op grond hiervan heeft werkgever in beginsel een vordering uit onverschuldigde betaling op werknemer. De vraag is nu of er omstandigheden zijn die de uitoefening van dit vorderingsrecht in de weg staan. De kantonrechter overweegt allereerst dat het feit dat werkgever de fout pas na zes jaar heeft ontdekt, aan het vorderingsrecht als zodanig niets afdoet. Immers, de wet kent voor een dergelijke vordering een verjaringstermijn van vijf jaren.
Vervolgens gaat de kantonrechter in op de vraag of werknemer erop mocht vertrouwen dat hij het teveel ontvangen bedrag mocht behouden. Daarvoor is van belang – zo overweegt de kantonrechter – of werknemer had kunnen en/of moeten merken dat hem ten onrechte te veel werd betaald. In dit verband oordeelt de kantonrechter dat van werknemer – ook gezien zijn functieniveau – verwacht mag worden dat hij af en toe de salarisstrook op juistheid controleert. Werknemer had in dat geval kunnen én behoren op te merken dat hem ten onrechte de persoonlijke toeslag werd uitbetaald. Hij had daaromtrent navraag moeten doen bij werkgever, aldus de kantonrechter. Op grond van het bovenstaande wordt de vordering van werkgever toegewezen. Ik ben het hiermee volledig eens.


