Na een bezoek aan de bedrijfsarts, komt een medewerker mijn kamer binnenvallen. Hij barst in tranen uit: “Ik ben opgebrand en kan ècht niet werken. Mijn vrouw vindt dat ook. Mijn huisarts zegt het. En zelfs mijn manager ziet het. Maar van de bedrijfsarts mòet ik werken.” Schandelijk hoe hard bedrijfsartsen tegenwoordig zijn. Of toch niet? 

Medewerkers met psychische klachten moeten tegenwoordig sneller weer aan de slag. Niet het niveau van de klachten bepaalt of iemand aan het werk kan, maar de tijd die de werknemer ziek thuis zit. Dus ook als een medewerker nog spanningsklachten heeft, zal de bedrijfsarts op een gegeven moment aansturen op werkhervatting. Zet de bedrijfsarts de medewerker hiermee onder druk? Nee. Dat neemt overigens niet weg dat het wel zwaar kan zijn om weer aan de slag te gaan. Toch is het effectiever dan thuisblijven. Van op de bank zitten is namelijk nog nooit iemand beter geworden.  

Neem de man die vond dat hij van de bedrijfsarts moest werken. Hij vertelde mij dat hij iedere dag tot laat in de middag sliep. Opstaan had volgens hem geen zin. Er kwam toch niets uit zijn handen. En dan moest hij nu opeens op kantoor verschijnen. Zijn collega’s zaten toch niet te wachten op zo’n nietsnut. 

Op een nietsnut zit inderdaad niemand te wachten. Daar heeft hij zeker gelijk in. Maar alleen als de man naar zijn werk gaat, zal hij ervaren dat hij geen nietsnut is. Natuurlijk zal hij in eerste instantie moe zijn en in oude valkuilen stappen, maar hij zal ook merken dat werkhervatting positieve gedachten oplevert. En dus positieve ervaringen. Zijn gevoel van competentie zal groeien en juist die groei draagt bij aan volledig herstel van zijn klachten. Bovendien zal hij vooral sneller herstellen als hij vast kan houden aan een helder re-integratie schema.

Uiteraard is het moment waarop iemand weer aan het werk niet de enige factor die bepaalt of iemand herstelt of niet. Maar de oude aanname dat je eerst ‘beter’ moet zijn voor je weer aan het werk kunt, kan echt voorgoed de prullenbak in.